Onderstaand Driekoningenlied is volgens diverse oudere leden van het r.k. kerkkoor in Vollenhove vrijwel zeker afkomstig van Schokland.
Koster Bert Klappe heeft de muziek van dit lied opgenomen in de kerk, waarna mevrouw Eikenaar-Lindeman, dirigente van het koor, voor ons de bladmuziek heeft uitgeschreven. Dankzij hen is weer een stukje van het oude erfgoed van de Schokkers op schrift gesteld!

Aanvankelijk ontvingen we alleen de eerste vijf coupletten, maar later vond Bert Klappe de volledige tekst in een oude bundel. Hij schreef ons: “De twee laatste coupletten vond ik in een oude parochiebundel uit 1894, die ooit eigendom was van Bruin Ouderling, geboren 7-3-1846 op Schokland, overleden 31-10-1921 in Vollenhove, gehuwd op 22-1-1880 in Vollenhove met Maria Aleida Dierkes, geboren 15-2-1852 in Vollenhove, overleden 3-9-1931 in Vollenhove. Zij hadden een zoon Hermanus (1889-1978), die ongehuwd was. Samen met zijn zuster Elisabeth (1884-1966), ook ongehuwd, woonden ze in de Visscherstraat in Vollenhove. Beiden waren oudoom en oudtante van mijn vader, en toen ome Harm overleed, heeft mijn vader deze bundel gekregen. Wij zijn vaak met mijn vader op bezoek geweest bij Ome Harm en tante Liesbeth in de Visscherstraat.
Later, toen tante Liesbeth overleden was, is mijn ome Harm verhuisd naar de Westerholtstraat en daar hebben wij hem nog vaak bezocht. Mijn vader ging iedere zondagavond bij hem op bezoek en heeft hem ook in zijn laatste dagen bijgestaan.”.

Dankzij de oude parochiebundel van Bruin Ouderling kennen we nu dus de volledige tekst van dit lied!


 

Eens verscheen er aan de hemel eene ster van wond’re glans,
Bij de nacht geheel omtogen door een held’re wolkenkrans;
Wijzen uit een land van ’t Oosten zagen haar verwonderd aan,
Vastbesloten haar te volgen en oplettend gâ te slaan.

Heden is de Vorst der Joden op deez’ aarde neergedaald,
Schijnt de luister aan te duiden waar die wond’re ster mee praalt;
En de Wijzen die deez’ woorden met gelovig harte zien,
Denken slechts, hoe aan die Koning waard’ge offers aan te biên.

In Jeruzalem gekomen, gaan zij naar Herodes heen,
Vragen waar die grote Koning, wiens verlichte ster verscheen,
Waar die Koning was geboren, die zij aangekondigd had?
Wat der Joden profetieën van die grote Vorst bevat?

Eén der priesters toen vergaderd, wijst hun uit Michéas aan,
Dat uit één van Juda’s steden deze Koning op moest staan;
“Bethlehem”, dus stond geschreven, “Gij zijt niet de minst van al,
Want de Vorst zal uit U spruiten die mijn volk regeeren zal.”

Opwaarts trok nu ’t drietal Wijzen, door die ster weer voorgegaan,
Die tot Bethlehem genaderd, boven eene stal bleef staan.
“Hier, hier is de Vorst geboren”, straalt hun tegen uit dat licht;
En vol eerbied binnen tredend, vinden zij het lieve Wicht.

Voor dat klein en teder kindje vallen zij aanbiddend neer,
Off’ren wierook, goud en myrrhe, noemen ’t Wichtje God en Heer,
Wijden zich van ganscher harte aan den dienst van ’t goddelijk Kind;
En geheel hun volgend leven hebben zij ’t oprecht bemind.

Wijzen die een teeder Wichtje voor uw Koning hebt erkend,
Vol geloof en vast vertrouwen tot zijn krib U hebt gewend,
Wilt voor ons een voorspraak wezen, dat ons hart Hem zij gewijd,
Dat wij hem ook prijzen, eeren, en eens komen waar Gij zijt.