• Slideheader0
  • Slideheader1
  • Slideheader10
  • Slideheader11
  • Slideheader12
  • Slideheader13
  • Slideheader14
  • Slideheader15
  • Slideheader16
  • Slideheader17
  • Slideheader18
  • Slideheader19
  • Slideheader2
  • Slideheader20
  • Slideheader21
  • Slideheader22
  • Slideheader23
  • Slideheader24
  • Slideheader25
  • Slideheader26
  • Slideheader27
  • Slideheader28
  • Slideheader29
  • Slideheader3
  • Slideheader30
  • Slideheader31
  • Slideheader4
  • Slideheader5
  • Slideheader6
  • Slideheader7
  • Slideheader8
  • Slideheader9
Van dhr. Willem Bos uit Raalte ontving ik een cassettebandje met een opname uit waarschijnlijk 1954, waarop drie Schokker-nazaten een poging doen om in het Schokker dialect te praten. Die drie nazaten zijn: Bart Ruiten (1879-1966), Mie Ruiten-Zalm (1883-1969) en Jan Karel (1874-1956).
De opname is gemaakt door Klaas Karel (de zoon van Jan Karel), en een antropologe. Het origineel bevindt zich waarschijnlijk in het archief van de Fakulteit Antropologie van de Universiteit van Amsterdam, en in kopie bij het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen.Op dat bandje worden ook twee "Schokker-liedjes" gezongen. Bart Ruiten zingt een vastenavondlied. Als ik hem goed versta, dan zingt hij het volgende:

’t Was op een vastelaovond
En ’t dat was een dure tijd,
En toen raokte ik aan mijn ongeluk
En toen raokte ik aan de meid.

En de meid die was lui en lekker,
Geen mindere wou zij doen,
En toen ging zij noar ’t stalletjen toe
En toen melkte zij de koe.

Weet je wel wat al de mooie moidjes doen,
’ s-Ochtends gane zij vroeg opstaen,
En dan gane ze voor dat spiegeltjien staen,
Dan kijken ze hier en dan kijken ze daer,
En dan kijken rond van trots, hier.

Moedertje zet je nachtkappetjen ies op,
Want je liefien zal vanaovond komen.
Komt er me liefien vanaovond neit,
Slèp zij in d’r mijn armpies neit,
Dan komt Flores Jansen,
Die daar loopt de rommelpot voel (?)
En dan gèt ze leren dansen.


Het lied lijkt sterk op een fragment van een lied dat eerder in Het Schokker Erf 37, blz. 34-35 heeft gestaan:
Daar is zoete drinken,
Voor een appel of een peer,
Dan komt vastenavond weer.

Op een zon vastenavond,
Op een zon duren tijd,
Toen raakte ik aan een ongeluk,
Toen raakte ik aan een meid.
Mijn meid was lui en lekker,
Veel minder wou zij doen.
Toen ging zij naar de rijer toe,
Toen molk zij daar de koe.

Die koe wou zij verkopen,
En haar huisje wou zij ontlopen.
Haar stalletje wou zij ontdekken,
Van achteren en van voren bloot.
En ik mijn hondje koken wou,
Dan was mijn potjen vuil.

Toen ging ik naar mijn buren,
En toen liet ik mijn potje schuren,
Voor een appel of voor een duit
En dan is vastenavond uit.

Ik heb zo lang met de rommelpot gelopen,
En nog geen geld om brood te kopen.
Koekebakkerij, koekebakkerij,
Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.

Hier woont een goed wijf.
Veule hef ze hegeven,
Lang zal ze leven,
Zalig zal ze sterven,
De hemel zal ze erven.

Hier woont een gierigen hond,
Lang zal ze niet leven,
Zalig zal ze niet sterven,
De hemel zal ze niet erven.
Vastenavond die komt aan,
Zo mijn hier alzode.
Schipper, dat van aren kwam,
Dat draagt zon hoge mode.

Moeder, wil je wijken,
Stuurman, wil je strijken?
Schipper, haalt je zeil wat op,
Geef mij wat in mijn rommelpot.
Rommelpot la lopen.
Geef den armen visserman wat,
Want den dood staat voor zijn ogen.

Weet je wat de mooie meisjes doen?
's Morgens gaan ze vroeg opstaan,
Dan gaan ze voor de spiegel staan,
Dan kijken ze hier, dan kijken ze daar,
Dan kijken ze rondom hori.

Moeder, zet mijn nachtkapje op,
Want mijn lief zal t'avond komen.
Komt mijn lieffien t'avond niet,
Dan komt Floris Jansen,
Die zal op de rommelpot speulen,
En de gek zal leren dansen.

Boven in die hollebol
Daar hangt een metworst.
Snij maar van die lange
Laat de korte maar hangen.
Snijd niet te ruim
Snij niet in je helle duim
Stukkien van de rooie kool
Daar een stukkien brood voor
Stukkien van de schinke.


Bovenstaand Vastenavondlied vonden we in het boek "Onze Volksrijmen", bijeengebracht en toegelicht door Dr. Tjaard W.R. de Haar (een uitgave van Het Spectrum b.v., Utrecht, 1978). Het lied is afkomstig van Schokland en werd in 1894 in Kampen genoteerd.
Het lijkt me dat dit eigenlijk meerdere rommelpotliedjes zijn, die door de Schokker zanger of zangeres achter elkaar werden gezongen, en ook zo genoteerd. Mogelijk is de volgorde daardoor niet geheel juist, want na de laatste zin ("stukkien van de schinke") zou heel goed vervolgd kunnen worden met de eerste drie zinnen ("Daar is zoete drinken", etc.).
Of het lied echt Schokkers is, is nog maar de vraag, want delen ervan zijn ook elders in het land bekend, zij het in iets andere bewoordingen, want zo gaat dat nu eenmaal met mondeling overgeleverde liedjes.
Zo werd bijvoorbeeld in Baarn en in Hardingen (graafschap Bentheim) ook gezongen over mooie meisjes, die almaar voor de spiegel staan in afwachting van hun vrijer:
Weet je wat de meisjes doen,
Als zij 's morgens vroeg opstaan?
Kijken. Ze kijken hier en ze kijken daar,
En kijken ze rondom?domme.
Moeder, staat mijn kapje wel net?
Mijn liefste zal vanavond kommen
Komt hij dan vanavond niet,
Komt hij in mijn armen niet.
Daar komt Jakob Jansen,
Die zal op de rommelpot spelen
En ik zal leren dansen.

(Baarn)
Moore, zit mien musse good?
Vanoavend komt mienen vri'jer!
Koomp e nich, ik haal 'm nich,
Slöp e ook in miene armen nich.
Dan haal ik Jakob Jansen,
Dee zal op de viole speulen,
En ik zal veur 'm?dansen.


(Hardingen,
Graafschap Bentheim)

Bruno Klappe