Wij staan maar zelden stil bij het gemak dat we hebben van onze hedendaagse toiletten. Onze Schokker voorouders hadden het niet zo luxe als wij. Zij gingen bij hoge nood naar buiten, naar het huisje op de achterplaats, ook als de storm tussen de huisjes gierde en de regen tegen de ramen sloeg. Of zij zochten ergens een rustig plekje in de buurt van de paalweringen.

Niet iedereen was daar even gelukkig mee, wat blijkt uit een brief, die P. de Waal, de opzichter van Rijkswaterstaat op Ens, in 1853 aan het gemeentebestuur van Schokland schreef.
"Sedert 1850 als opzigter van 's Rijks Waterstaat te Schokland gestationeerd zijnde, neemt de ondergeteekende adressant beleefd de vrijheid het bestuur alhier eens in te lichten met vriendelijk verzoek tevens dat:
1. de wevers en andere opgezetenen zich continueerlijk veroorloven om in onmiddellijke nabijheid der opzigterswoning, onder 's Lands Magazijn en tegen het buurtpaalwerk hunne behoeften te doen, en ook daar bij avond drek of vuilnis storten, hetwelk in de naderende saisoenen eene verpestende lucht bij mijne woonplaats en 't Magazijn veroorzaken;
2. Is derhalve mijn vriendelijk verzoek aan het Edelachtbaar bestuur of men de ondergeteekende in den gevolge die last van onzedelijkheid en welligt ontstane besmetting zoude doen ophouden, en openbaar bekend maken dat men aldaar geen vuilnis of drekken meer moge nederwerpen. En wanneer het Bestuur dienaangaande op Ens een secreet voor behoeftigen wenschelijk achte, en zulks ter aanbouw aan geliefde te vragen, de ondergeteekende, wanneer zulks in zijne handen moge gesteld worden, dat verzoek krachtdadig te zullen ondersteunen, opdat men die onbeschaamdheden en welligt daardoor ontstane smetstoffen in de gevolge hierdoor voorkome".


Gebruikte archiefstukken: Gemeente-archief Kampen, Ingekomen Stukken Schokland 1853, nr. 32 (d.d. 1-4-1853).

Bron: Bruno Klappe, het Schokker Erf 26, mei 1994