• Slideheader0
  • Slideheader1
  • Slideheader10
  • Slideheader11
  • Slideheader12
  • Slideheader13
  • Slideheader14
  • Slideheader15
  • Slideheader16
  • Slideheader17
  • Slideheader18
  • Slideheader19
  • Slideheader2
  • Slideheader20
  • Slideheader21
  • Slideheader22
  • Slideheader23
  • Slideheader24
  • Slideheader25
  • Slideheader26
  • Slideheader27
  • Slideheader28
  • Slideheader29
  • Slideheader3
  • Slideheader30
  • Slideheader31
  • Slideheader4
  • Slideheader5
  • Slideheader6
  • Slideheader7
  • Slideheader8
  • Slideheader9
Op 8-12-1851 werd door J. Donk, de Commissaris van Politie der stad Kampen, een proces-verbaal opgemaakt tegen de 43-jarige kroeghoudster Catharina ten Napel. Trijntje, zoals ze ook wel genoemd werd, was geboren in Vollenhove, maar zij woonde op de Vloeddijk in Kampen, tegenover het Muntplein. Er waren namelijk klachten bij de politie binnengekomen dat zij "haar werk zoude maken van het ten harent ophouden van meisjes beneden den ouderdom van een en twintig jaren, en het bevorderen der onzedelijkheid onder dezelven".
 
Als getuige werd de dagloner Gerrit Kogelman, wonende in de Groenestraat, opgeroepen. Hij verklaarde dat zijn dochter Heintje nog geen 19 jaar oud is, maar "desniettemin sedert ruim tien of twaalf weken zich aan een onzedelijk leven overgeefd". Toen hij merkte dat zijn dochter, "ten einde hare zedelooze lusten te voldoen", meermalen het huis van Trijntje ten Napel op de Vloeddijk bezocht, en daar soms ook de nacht doorbracht, besloot hij maatregelen te nemen. Enkele keren is hij daarom 's avonds naar het huis van Trijntje gegaan om zijn dochter op te eisen, maar telkens kreeg hij te horen dat ze daar niet was.
De vorige dag is hij om acht uur 's avonds nogmaals naar de Vloeddijk gegaan, en toen heeft hij "van de straat door eene der ruiten van het luik duidelijk gezien, dat zijn dochter in het voorvertrek op eene stoel zat met een manspersoon op haar schoot". Dat is ook gezien door zijn schoonzuster Johanna Sellis, huisvrouw van Jurriaan Kogelman, die op het Buitenkerkhof woonde. Hij heeft toen aangeklopt, en na een poosje hoorde hij dat Trijn ten Napel tegen zijn dochter zei: "Hein, daar is je vader."
 
Even later opende Trijn de deur. Op de vraag naar zijn kind gaf ze hem ten antwoord: "Kom er nu maar in, dan kan je zelf zien dat zij er niet is". Kogelman bleef echter buiten en vroeg enkele omstanders voor de deur de wacht te houden, terwijl zijn schoonzuster naar de Heiligesteeg achter de woning van vrouw Ten Napel liep om er op toe te zien dan niemand over het hek zou vluchten. Vervolgens heeft hij de assistentie van de nachtwachten Van Olst en Wezenberg ingeroepen, en samen hebben ze zijn dochter uit de woning gehaald. Daar bevonden zich drie of vier manspersonen in het gezelschap van nog enkele ander meisjes, die hij herkend had als de dochters van Koridon en Hein Som.
 
Heintje Kogelman moest natuurlijk ook voor de commissaris verschijnen om haar verhaal te doen. Ze verklaarde dat zij de vorige avond tussen 7 en 8 uur met haar vriendin Truitje Som over de Vloeddijk liep om een boodschap in de Veenestraat te doen. Zij werden daar toen aangesproken door Trijntje ten Napel, die hen vroeg of ze soms even binnen wilden komen, wat ze gedaan hebben. Toen ze eenmaal binnen waren, sloot vrouw Ten Napel de deur en schoof de grendel er op. Binnen waren vier of vijf vreemde heren die punch dronken, en een van hen trok Heintje op zijn schoot, kuste haar en gaf ook haar punch te drinken.
En laat er nou net op dat moment op de deur geklopt worden! Trijn zou haar gezegd hebben om naar boven te lopen en eens uit het raam te kijken wie er voor de deur stond, eerder wilde ze de deur niet openen. Toen Trijn zag dat het haar vader was, vroeg ze of ze mocht vertrekken, maar dat mocht ze niet. Ze werd gedwongen om zich in de kelder te verstoppen, want Trijn was bang dat er misschien ook wel iemand van de politie voor de deur stond. Vrouw Ten Napel verzocht hen even later in manskleren het huis te verlaten, maar meteen daarop werden de beide vriendinnen dus toch gevonden en mee naar buiten genomen.
Op de vraag of zij dan niet wist dat in dat huis gelegenheid werd gegeven tot onzedelijkheid, en of zij niet moest bekennen, "zelve aldaar meermalen met mannen gemeenschap te hebben gehad", zei Heintje dat ze dat niet wist, dat zij er wel meermalen geweest was, "maar nooit vleeschelijke gemeenschap met mannen heeft gehad."
Ze verklaarde tevens "dat sedert ruim acht dagen de dochter van zekeren Koridon aldaar bepaald verblijf houdt".
 
Toen haar gevraagd werd of ze zich de vorige avond niet met "met dien Heer heeft afgezonderd, die haar op zijn schoot heeft genomen", zei ze dat hij, toen zij naar boven ging om te kijken wie er op de deur klopte, haar wel achterna is gelopen, maar dat zij meteen weer naar beneden zijn gegaan, "zonde dat zij met hem gemeenschap gehad heeft. "
 
Maar na enig aarzelen moest ze toch bekennen, "dat zij tot tweemalen toe zonder den juisten avond te kunnen bepalen, met den Cigarenfabriekant Lehmkuhl, alhier wonende, daar ten huize gemeenschap heeft gehouden, dat zij telken reize van dien Heer eenen gulden heeft ontvangen, en deze daarenboven vrouw Ten Napel voor het gebruik der kamer heeft betaald. "
 
De 18-jarige dienstbode Truitje Som (elders in het proces-verbaal wordt ze Geertruide Zom genoemd) geboren in Kampen en wonende in de Groenestraat, had een iets ander verhaal.
Ook zij vertelde dat zij en Heintje Kogelman op de Vloeddijk door vrouw Ten Napel waren uitgenodigd om even binnen te komen. Toen ze in haar huis waren had de vrouw, die zij overigens niet zou kennen, de knip op deur gedaan. Binnen zaten vier heren punch te drinken, samen met de dochter van Koridon, en ook Heintje en Truitje kregen punch te drinken. Truitje verklaarde "dat nadat zij alvorens met die Heeren punch hadden gebruikt, Heintje Kogelman zich met een hunner naar boven heeft begeven, en na ongeveer een kwartier uur vertoevens, weder in het beneden vertrek is terug gekeerd en op de schoot van dien man is gaan zitten, met wien zij boven was geweest, waarna zij elkander hebben gekust. " Een van de heren zocht ook toenadering tot Truitje, maar zij wilde niets van hem weten, vertelde ze.
Toen er aan de deur geklopt werd en vrouw Ten Napel zei dat ze zich in de kelder moesten verstoppen, maakte Truitje daartegen bezwaar. Hoewel ze meermalen te kennen gaf dat ze uiterlijk om acht uur thuis moest zijn, wilde vrouw Ten Napel haar niet laten gaan. Op herhaald aandringen is ze toch maar de kelder in gegaan, hoewel ze totaal niet begreep waarom dat dan wel moest. Even later werden ze gevonden door de vader van Heintje en de wachten.
"Haar gevraagd hebbende of zij niet meermalen daar ten huize was geweest, en niet wist dat aldaar gelegenheid tot het plegen van ontucht werd gegeven, zegt dat zij daar vroeger nooit was geweest. Dat het haar leed deed aldaar gebragt te zijn, en die vrouw nooit te voren had gekend."
 
Diezelfde avond vond er nog zo het een en ander plaats in dat huis op de Vloeddijk. Twee korporaals van het Kamper garnizoen waren niet op tijd in de kazerne teruggekeerd. Op aanwijzingen van drie onderofficieren van dat garnizoen had Cornelis Jacobus van Grafhorst, hoofdschout van de Kamper politie, een zoektocht naar de vermiste mannen gehouden. Omdat zij wisten dat zich meermalen soldaten ophielden in het huis van Trijn ten Napel op de Vloeddijk, wat overigens streng verboden was, gingen zij ook daar eens kijken. De hoofdschout verklaarde dat zij de korporaals niet in de benedenkamer hadden gevonden, maar dat hij "met eenen der onderofficieren naar boven gegaan zijn de, aldaar in eene kribbe een mansen een vrouwspersoon heeft liggende gevonden, die op hunne komst hardop begonnen te lagehen en het dekkleed over hunne hoofden te trekken. Dat hij in het vrouwspersoon de dochter van Koridon stellig heeft meenen te herkennen, en in dit vermoeden ook is versterkt geworden door Jan Klunder, met welke Trijn te Napel in gemeenschap leeft, en welke hem bepaald gezegd heeft dat het de dochter van Koridon was. "
En toen was het tijd om ook eens die dochter van Koridon te ondervragen. Het bleek te gaan om Elisabeth Koridon, volgens eigen zeggen ongeveer twintig jaren oud, geboren op Schokland, en sinds drie dagen wonende ten huize van Trijn ten Napel op de Vloeddijk, terwijl haar vader op de Oude straat in de buitenhoek tegenover de bierbrouwerij woonde. <1>
 
Op de vraag of ze niet moest bekennen "in den laten avond van gisteren vleeschelijke gemeenschap met een manspersoon ten huize van vrouw Ten Napel te hebben gehad", antwoordde ze dat dat inderdaad zo was. Maar die man was haar vrijer "met wien zij slechts sedert een paar dagen kennis heeft ", zei ze. Hoeveel die persoon haar voor het plegen van die gemeenschap heeft betaald, wilde de commissaris weten. Elisabeth bekende: "drie kwartjes, en dat zij als naar gewoonte een der kwartjes aan vrouw Ten Napel heeft ter handje gesteld." En hoe vaak had zij in die drie dagen gemeenschap met mannen gehad? Elisabeth beweerde: "drie malen, telkens voor deze zelfde prijs en met denzelfden persoon. "
"Haar gevraagd hebbende, of zij vroeger reeds bij vrouw Ten Napel heeft gewoond, zegt neen, dat zij steeds gewoond heeft bij haren vader op de Oudestraat, doch dat zij om vleeschelijke gemeenschap met mannen te plegen, zich naar de woning van vrouw Ten Napel begaf, en dat zij met deze was overeengekomen om telkens van ieder kwartje haar een dubbeltje af te staan."
 
Ondertekenen kon Elisabeth Koridon haar verklaring niet, want ze kon niet schrijven.
Tenslotte werd ook de kroeghoudster Trijntje ten Napel verhoord. Zij blijkt niet gehuwd te zijn, maar sinds ruim een jaar met Jan Klundert in gemeenschap te leven.
"Haar gevraagd hebbende of zij niet moet erkennen ten haren huize gelegenheid te hebben gegeven aan mannen, om met jeugdige meisjes en wel bepaaldelijk met de dochter van Koridon, en van Kogelmans vleeschelijke gemeenschap te houden, zegt dat zij aan de dochter van Kogelmans een benedenkamer ten gebruike heeft afgestaan, wanneer zij zich met eenen Heer wilde afzonderen; dat zij ook niet kan ontkennen, dat de dochter van Koridon, die ongeveer vier dagen bij haar verblijf houdt, zich in den laten avond van gisteren met een oppasser uit het hospitaal alhier naar boven heeft begeven, en in den vroegen morgen van heden ongeveer vier of half vijf ure weder naar beneden gekomen is. "
Ze zei dat ze van de dochter van Koridon "van de drie kwartjes die deze meid van dien oppasser voor het plegen dier gemeenschap kreeg" een kwartje heeft ontvangen. Maar dat moest gezien worden als een betaling van haar onderhoud. De keren dat de dochter van Kogelmans zich met "dien Heer" op de bovenverdieping van het huis op de Vloeddijk had afgezonderd, had Trijntje ten Napel van hem telkens een gulden ontvangen voor het gebruik van de kamer en het verstrekken van twee glazen punch. Van "deze meid" kreeg ze verder geen geld. <2>
 
Voor Trijntje ten Napel zag het er niet best uit. Op 3-2-1852 schreef de Officier van Justitie te Zwolle aan Gerrit Jan Gillot, de burgemeester van Schokland, een briefje waarin gevraagd werd om een uittrekstel uit het geboorteregister van Elisabeth Koridon, oud ongeveer 20 jaren, wegens een strafzaak tegen een zekere vrouw Ten Napel. <3>
Een week later stuurde Gillot een afschrift van de geboorte-akte van Elizabeth, dochter van Henderik Willems Koridon, naar Zwolle. <4>
Hoe deze zaak is afgelopen weet ik helaas niet.. ..
 
Bruno Klappe
 
Noten:
<1> Elisabeth Koridon werd 19-10-1833 geboren op Schokland. Ten tijde van het opgemaakte proces-verbaal was zij dus maar net 18 jaar, en niet ongeveer 20 jaar zoals ze zelf verklaarde. Haar vader was Hendrik Willems Koridon, gedoopt Emmeloord 19-7-1800, arbeider, venter, winkelier en koopman te Kampen en Zwolle, overl Zwolle 8-2-1869. Hij trouwde Schokland 29-7-1824 met Maria Petersen Koek (1802-1842), de moeder van Elisabeth. Hij hertrouwde 3-5-1845 op Schokland met Arnolda Roskam (1798-1849) uit Kampen. Datzelfde jaar verhuisden ze naar Kampen. Na haar dood trouwde hij op 25-10-1849 met Hendrika Jansen (1826.... ) uit Wijhe, met wie hij in Kampen, Zwolle en Deventer woonde. Meer gegevens over de gezinnen van Hendrik Willems Koridon: zie Het Schokker Erf 45, blz. 38-41.
<2> Gemeente-archief Kampen, processen-verbaal der politie, inv. 99 (8-121851).
<3> Idem, Ingekomen Stukken Schokland 1852, inv. 50, nr. 126 (3-2-1852).
<4> Idem, Uitgaande Stukken Schokland 1852, inv. 81, nr. 42 (10-2-1852).
.
Bron: Schokker Erf 56, mei 2004, 12-17.