• Slideheader0
  • Slideheader1
  • Slideheader10
  • Slideheader11
  • Slideheader12
  • Slideheader13
  • Slideheader14
  • Slideheader15
  • Slideheader16
  • Slideheader17
  • Slideheader18
  • Slideheader19
  • Slideheader2
  • Slideheader20
  • Slideheader21
  • Slideheader22
  • Slideheader23
  • Slideheader24
  • Slideheader25
  • Slideheader26
  • Slideheader27
  • Slideheader28
  • Slideheader29
  • Slideheader3
  • Slideheader30
  • Slideheader31
  • Slideheader4
  • Slideheader5
  • Slideheader6
  • Slideheader7
  • Slideheader8
  • Slideheader9
Grietje Jacobs Goosen <1> uit Ens was al ruim dertig jaar oud en de jongens hadden nooit veel achter haar aan gelopen. Toch zou ook zij erg graag willen trouwen en kinderen krijgen, zoals vrijwel iedereen dat wil. Zij was dan ook dolgelukkig toen ze kennis kreeg aan een zekere Jan Arijs van der Graaf <2> uit Giessendam in Zuid-Holland, die op Schokland aan de nieuwe dijk werkte. Er gloorde weer hoop aan de horizon, ware het niet dat Grietje katholiek was en Jan niet.

Pastoor Bartholomeus Doorenweerd schreef in zijn dagboek dat hij, zodra hij lucht van de verhouding kreeg, Grietje vermaande, zelfs eens met het Allerheiligste bij zich. Veel nut had het niet: "Zij liet zich beslapen, en trouwde met dien vent", waarna ze samen op de Molenbuurt een huisje betrokken.
Jan probeerde zich van zijn beste kant te laten zien en ging zo nu en dan met zijn Grietje naar de katholieke kerk. Toen enkele Schokker meisjes hun Eerste H. Communie deden in de kerk op Emmeloord, waren ook Grietje en Jan aanwezig. Tijdens de preek kwam het spreekwoord: twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen, ter sprake. Jan, die meende dat hij persoonlijk werd aangevallen, trok zich die opmerkingen zo aan, dat hij niets meer met de pastoor te maken wilde hebben.
Op 9-5-1806 werd Johanna, hun eerste kind, geboren, en de verbittering bij Jan was nog zo groot dat hij twee dagen later uit protest zijn dochter ten doop hield bij de dominee op Ens. Pastoor Doorenweerd, die er vreselijk mee in zijn maag zat dat het kind niet katholiek gedoopt werd, vroeg raad aan zijn meerdere, de aartspriester. Kort hierna werd Grietje, "die een buitengewoonlijk berouw over haren misstap betoonde", door de pastoor weer in genade aangenomen.

Zij raakte al gauw weer in verwachting, maar het ging met haar gezondheid na 18-2-1807, toen 8 vissers van Schokland jammerlijk verdronken, steeds verder achteruit. In de passieweek werd de pastoor bij haar geroepen, die haar toestand zo ernstig vond, dat hij haar bediende. Twee of drie dagen daarna, op 12-3-1807 werd ze verlost van twee welgeschapen kinderen, Jacobus en Joanna. De pastoor noteerde in zijn dagboek: "Ik heb onder de nageboorte, op aanrading der vroedvrouw bezigtigd, een lang hol vel gevonden, naar een aals-vel gelijkende, hetwelk de vroedvrouw toeschreef aan eene bijzondere lust en trek, die de moeder te voren onbevredigd had moeten laten, omdat zij geen aal had kunnen bekomen".

Kort nadat hij thuis was gekomen werd hij opnieuw bij de kraamvrouw geroepen, die erg zwak was. De boodschapper wist te melden dat een van de kinderen overleden was, maar dat het andere nog leefde. De vader wilde nu wel dat het kind door de pastoor gedoopt zou worden. De pastoor nam snel een klein flesje doopwater en andere benodigdheden en begaf zich opnieuw op weg naar de Molenbuurt van Ens.
Bij de kraamvrouw aangekomen vroeg hij naar de kinderen, en hij kreeg te horen dat men een van de kinderen als dood weggelegd had, maar dat het andere nog leefde. De pastoor eiste daarop het dode kind te zien. Het scheen inderdaad overleden te zijn, maar overwegende dat er nog wel wat leven in kon zijn, besloot de pastoor het alsnog te dopen.
"En zie, wat vreugde! Zoodra ik met mijn flesje het koude doopwater op het voorhoofd goot, zoo dat het langs de neus afvloeide, gaf het kind de blijkbaarste teekenen van leven, door de vertrekking des monds en der neuze, hetwelk ik en de grootmoeder duidelijk zagen."
Daarna doopte hij in tegenwoordigheid van alle buurvrouwen, die vrijwel allen gereformeerd waren, het andere kind, met alle vereiste plechtigheden. Het doodgewaande kind stierf even later, het andere kind nog dezelfde avond. De moeder overleefde haar kinderen maar een zeer korte tijd. Zij stierf op Ens op maandag 23-3-1807, in de Goede Week, "alle blijken van een ware bekering gevende, en vooral van een groot berouw over haar huwelijk, hetgeen zij te kennen gaf, daar zij haren man, die haar nog begeerde te kusschen, als met stervenden monde zeide: Gij zijt nu de liefste niet meer; Ons Lieve Heer is de liefste."

Pastoor Doorenweerd beeindigde zijn verslag van dit drama met de woorden:
"Mogten allen hare boetvaardigheid navolgen, die hare kwade voorbeeld naagevolgd zijn. En God gave, dat ook nog in dezen spiegel die meisjes zich spiegelden, die een jongen liever als God hebben. Wat korte vreugde is dat voor onze Grietje geweest. Gelukkig hij, die door het voorbeeld van eenen anderen wijs wordt."

Noten:
  1. Grietje Cobussen of Grietje Jacobs Goosen, gedoopt 24-7-1772 Ens, overleden 23-3-1807 Ens, gehuwd met Jan Arijs van der Graaf.
  2. Jan Arijs van der Graaf, ook wel Jan de Graaf genoemd, geboren circa 1760, overleden circa 1815, gehuwd met Grietje Jacobs Goosen.

Bron: Ab en Bruno Klappe, het Schokker Erf 33, september 1996.