De dominé van Schokland
Zou in Kampen preken,
Maar door het razen van de zee
Had hij zijn preek vergeten.


Zoo luidt het kinderdeuntje, dat wij vroeger meermalen uit teederen moedermond hooren mochten. Dat was de tijd toen te Kampen wonende Schokkers op donkere winteravonden hunne Sint Maartenliedjes langs de huizen der Kampenaren zongen, begeleid door het monotone geluid van de door hen geliefde foekepot.
Dan zong men:

Kew <1> al zoo lang met de rommelpot eloopen,
Kew gien geld om brood te koopen,
Rommelpotterij, Rommelpotterij,
Gief m'n oortjen dan geam <2> ik voorbij
.

Dat waren de dagen, dat de moeders hun kinderen nog vertelden, hoe de Schokkers hadden voorspeld, dat geheel Kampen in vlammen zou opgaan, zooals zij het des nachts, op zee visschende, al zouden hebben gezien, toen deze stad in 1848 hare gasverlichting gekregen had. Geen wonder dan ook, dat voor ons, kinderen, dat eiland daar in zee gehuld was in een atmosfeer van sombere geheimzinnigheid, waardoor het voor ons geen duidelijk beeld worden kon, maar integendeel, er voor Schokland een ietwat vreesachtige belangstelling werd gewekt. En wanneer dan die verhalen in het schemeruurtje, "zoo van zes tot zeven", door moeder werden verteld, dan kregen wij "allerprettigst kippevel", om met Heine te spreken.

Dat alles is echter geschiedenis geworden. En nu het groote en grootsche werk der afdamming en droogmaking van de Zuiderzee dermate vorderingen maakt, dat men de voltooiing daarvan als perspectief vermag te zien, herdenken wij die "volkstümliche" deuntjes en verhalen, welke toen nog levendig hielden de herinnering aan de nu bijna niet meer denkbare omstandigheid, dat Schokland had zijn eigen predikant, pastoor, onderwijzer en dokter, dat dit kleine eiland een eigen gemeenschap was. En mede gaat onze belangstelling uit naar Oud-Hollandsche folklore en het lands-eigene, naar datgeene wat die oude Zuiderzee-bevolking in haare kleeding en huisraad, in haare woningen en scheepsbouw ons nog heeft nagelaten van haar oude beschaving, die straks in der tijden loop zal zijn ondergegaan.
De geschiedenis van Schokland verliest zich in het duister der Middeleeuwen, daarna zien wij haar wat duidelijker. Schokland, dat niet eerder dan in het laatst der 18de eeuw zoo werd genoemd, (vóór die tijd sprak men van de eilanden Ens en Emmeloord) komt reeds ± 1200 voor als Emelwerth. Het stond toen reeds in nauwe betrekking met de toen zo bloeiende aloude Koningsstad Stavoren. Onder een opgave van Kapellen, behoorende tot het Benedictijner Klooster van Sint Odulphus te Stavoren (1132-1580), wel bekend uit Van Lennep's "Roos van Dekama", komen onder meer ook voor Urch (Urk) en Emelwerth (Emmeloord). Dit laatste is het Noordelijke gedeelte van het eiland, waarvan het Zuidelijke deel Ens wordt genoemd.






















Beide helften waren, en zijn nog, door een sloot van elkander gescheiden. Is die oude sloot soms een der vele rivierarmen van de vroegere IJsseldelta? Wij weten het niet. Maar vroeg reeds waren deze "buurten" zelfstandig, Want in 1329 was Ens zoowel als Emmeloord een eigen parochie. Ook had iedere parochie zijn eigen burgerlijk bestuur.
Op Ens vond men de Midden- of Molenbuurt, de Zuiderbuurt (Zuidert genaamd) en de in ± 1830 afgebroken Gothieke kerk met Romaanschen toren op de Zuidelijke punt van het eiland. En wanneer ook hier "de kerk in het midden" heeft gestaan, wat vrijwel als zeker wordt aangenomen, dan volgt daaruit wel, dat van Ens, ten Zuiden van het hedendaagsche Schokland, dus vóór den Ketelmond, veel land door de zee verzwolgen is, zooals dat met zekerheid, aan de hand van oude kaarten, kan worden gezegd van het Noordelijke Emmeloord, dat dus thans in zee ligt als verdronken land.

Als gezegd, niet eerder dan in de 18de eeuw komt de naam Schokland voor en heetten "de eilanden" (het waren er dus twee) Ens en Emmeloord. Jan van Kuinre krijgt in 1331 van den Hollandschen graaf "dat Gherechte van Emlairden half".
In 1364 worden de Kuinre's opgevolgd door Heeren van Voorst, echter gaf graaf Albrecht, de bestrijder der Friezen, in 1381 het Kerspel Orckel en Emelwolde aan Dirk van Swieten, kapitein binnen Stavoren, in leen. Dit moet zeker kort geduurd hebben, want wij lezen dat in 1412 de Vrouwe van Voorst afstand doet van hare rechten op beide eilanden, ten behoeve van Herman van Kuinre, die in 1415 aan de "bueren van Orch en Emelweerde" rechten gaf.
Na den dood van Herman van Kuinre wordt hij door zijn dochter Alijt opgevolgd als bezitster der eilanden. Alijt huwde met Evert Vreijse van Stroewijck, die dan optreedt als heer van Urk en Emmeloord. Als hij overlijdt doet zijn weduwe, Alijt, in 1475 haar leengoederen over aan Evert Zoudenbalch te Utrecht, thesaurier ten Dom en proost van Maastricht <3>. Sedertdien waren de Zoudenbalch's meer dan een eeuw heer der eilanden.
Evert wordt door zijn broers zoon, ook Evert geheeten, in 1495 opgevolgd. In 1555 was Jan Zoudenbalch eilandheer; hij werd opgevolgd door Gerrit Zoudenbalch, die bij testament aan zijn neef Johan van Fladeracken voorwaardelijk vermaakt het bezit der eilanden.
Gerrit Zoudenbalch huwt in 1568 met Barbara van Essenstein. Zij is als weduwe in 1601 vrouwe van Urk en Emeloord. Na haar overlijden (1614) komt dit bezit in handen van Jonker van der Werve, te Heenvliet wonende, die in 1660 zijn ambachtsheerlijkheid overdoet aan de stad Amsterdam, welke als koopstad belang had bij de vaart op de Zuiderzee en dus het gezag over Urk en Emmeloord wenschte uit te oefenen.

Wij merken op dat Ens bij al die veranderingen in het Bestuur niet wordt genoemd. Dit bleef afzonderlijk onder Overijsselsch gezag; het komt reeds in 1407 voor op een Overijsselsche Schattinglijst. In 1613 gaven Ridderschap en Steden van dit gewest Ens 800 gulden voor herstelling aan het kerkgebouw aldaar. Dit was dus het hiervoren genoemde middeleeuwsche kerkgebouw.

Ens en Emmeloord waren aanvankelijk, als wij weten, twee eilanden, en voor zoover bekend, gescheiden door een sloot. Maar het zelfstandige van beide "buurten" (vroeger eilanden) spreekt ook wel sterk uit het feit, dat de dialecten van beide verschillen: dat van Ens heeft n.l. meer van 't Overijsselsch, dat van Emmeloord echter is meer Hollandsch; ook de kleding der bewoners van beide buurten was ietwat verschillend en na de Hervorming was Ens zoo goed als geheel Hervormd, terwijl de Emmeloorders altijd Roomsch Katholiek zijn gebleven.

Welnu, de "Burgemeesteren" van Amsterdam bleven ambachtsheeren van het Noordelijke gedeelte (Emmeloord), terwijl de Zuidelijke helft (Ens) tot Overijssel bleef behooren. Zoo bleef de toestand, tot dat in den Franschen tijd geheel Schokland (dus Ens én Emmeloord) onder Overijsselsch bestuur werd gebracht als afzonderlijke gemeente Schokland, die in 1859 werd opgeheven en bij Kampen werd gevoegd, nadat Schokland in 1858 door de Rijksregeering "onbewoonbaar was verklaard".
De bevolking moest Schokland in 1859 verlaten, en de Emmeloorders, zeker beïnvloed door de omstandigheid, dat zij te Kampen een R.C. gemeente vonden, verhuisden met hun hoofdonderwijzer, A. Legebeke, naar de IJsselstad, terwijl zeer weinigen van het protestantsche Ens zich metterwoon te Kampen gingen vestigen. Thans wonen er op het eiland nog drie beambten van 's Rijkswaterstaat (twee op Emmeloord en een op Ens) met hunne gezinnen.
Tot zover de merkwaardige geschiedenis van Schokland.

"De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten, die ons het voorgeslacht liet, als een uiting van zijn persoonlijkheidsgevoel, zijn persoonlijkheidswezen, zijn eigen beschaving en idealen". Aldus Theo Molkenboer in zijn belangwekkend boekje <4>. En daarin treft, dat deze juiste opmerker, die met zooveel liefde en zaakkennis dit onderwerp behandelde, bij zijn bezoek aan Kampen wèl heeft bestudeerd de karakteristieke kleeding van een gedeelte der stedelijke bevolking en die van de aangrenzende landbewoners, maar de Schokkers, wonende in de Brunneper Schokkersbuurt te Kampen, klaarblijkelijk heeft vergeten. Hij zou, zoo hij ook daar had rondgekeken, wellicht nog merkwaardigheden hebben ontdekt, die nu verdwenen zijn. En dit is te betreuren, omdat, terwijl de Schokkers die zich in 1859 te Vollenhove, Urk, Volendam en elders hadden gevestigd, al spoedig de kleeding der daar wonende visschersbevolking hadden aangenomen, daar dus spoedig als Schokkers zijn ondergegaan, zij, te Kampen, waar vóór hunne nederzetting niet een eigenlijke visschersbevolking van markant karakter aanwezig was, daarentegen als Schokkers in hun kleeding en taal, in hunne woningen en schepen nog lang zichzelf zijn gebleven. Te Kampen leefde de oud-Schokkersche traditie lang voort, dank ook het feit, dat hun hoofdonderwijzer, A. Legebeke, de huizen van Emmeloord liet afbreken en die te Kampen weer voor hen in de toen aangelegde Schokkersbuurt herbouwen liet. Men sprak dan ook wel eens van "Schokland in Kampen".
Er bestaat nog een oude houtsnede, die ons een voorstelling geeft van de oud-Schokkersche kleederdracht van man en vrouw, zoals die na 1840 ongeveer, niet meer gedragen werd. De afbeelding op de volgende bladzijde doet zien hoe men zich, van dien tijd af tot heden, op Schokland (en dan wordt hier Emmeloord bedoeld) en te Kampen in de Schokkersbuurt te kleeden placht (afbeelding ontbreekt. Red.). Nog twee vrouwen te Kampen dragen die kleeding; zij is dus nu al zoo goed als historie geworden. Ongeveer in de dertiger jaren der vorige eeuw heeft de verandering in kleeding bij deze bevolking plaats gehad, en wat daarvan de oorzaak geweest moge zijn, is ons onbekend.
De Schokker van het begin der vorige eeuw droeg een kortere en wijdere broek dan die welke nog door zijn naneef van thans gedragen wordt. Ook was vroeger de jas langer en droeg de oude Schokker een karpoes (muts), die de Urker nog draagt. De Schokkerin van voorheen had tot hoofdtooisel een ietwat hooge muts en droeg het haar lang, tot op de schouders hangende. Het vrouwencostuum, dat veel met dat der vrouwen van Urk overeenkomt, is bizonder karakteristiek. De vrouw
van Schokland draagt, evenals de Urkerin, een met kant omzoomd mutsje, en terwijl laatstgenoemde het achtergedeelte daarvan gewoonlijk van zwarte stof heeft, is dit bij de Schokkerin daarentegen veelal van witte stof. Beide dragen het zeer smalle zilveren "oorijzer", waarvan ieder eind bij de wang in een knoopje eindigt.
In vroeger dagen, vóór 1840, droeg de vrouw van Schokland een "vest" van damast (middel genoemd), aan de voorzijde met een geel koord toegeregen. De rood baaien borstrok met rood laken mouwen had op den naad een geborduurde streep van gele zijde; hierover werd het vest gedragen. Het hoofdtooisel was een blauwe muts met geel gestreepten platten bodem. Ook werd door de Schokkerin wel een witte vrouwenmuts gedragen, welke gelijkenis had met die van de Volendamsche. Behalve genoemd oorijzer werden gewoonlijk ook door de Schokkerinnen gedragen roode of zwarte koralen, aan de achterzijde gesloten met een zilveren slot (bootje).
Over den borstrok draagt de Schokkerin thans, in plaats van het "vest", een borstlap of kroplap, welke gewoonlijk van katoenen stof is vervaardigd. Dit kleedingstuk is voor de Zondagsche kleedij van gebloemd meubelsits. Gewoonlijk is de onderrok van rood of blauw gestreepte baai en is dan in 't laatste geval aan de bovenzijde effen blauw, terwijl de kousen veelal ook van blauw sajet of dito wol zijn gebreid.

Ook de doopkleertjes (jurken en mutsjes) zijn fraai en meermalen met gouddraad doorweven en van blauw of rood damast. Dit "doopgoed" heeft, evenals de Schokkersche kroplap, veel overeenkomst met dat, hetwelk voor 1840 nog op het nabij gelegen Kamper eiland gedragen werd. Van beide bezit de stichting Campen in hare verzameling eenige exemplaren. Ook het Openluchtmuseum op den Waterberg bij Arnhem heeft nog zeer fraaie en zeldzame overblijfselen van Schoklandsche kleedij. Uit genoemde oude costuums blijkt de groote liefde voor kleuren en wel voor de primaire kleuren, een karaktertrek, welke men bij volken aan zee wonende, meer aantreft.
Het ligt voor de hand dat het visschersvaartuig, voor iedere visschersbevolking van eigen type, (wij spreken van Volendammer of Urker botters, Giethoornsche punters en Schokkerschuiten) eenige aandacht verdient. En dit is wel meer het geval nu de Schuit als vaartuig voor de Urkers en Schokkers bijna geheel verdwenen is. Er is echter te Kampen nog een tweetal origineele Schokker schuiten en daarvan is de Kampen 1, gemerkt KP1, die nu al bijna 125 jaar door leden der oud-Schokkersche familie Diender wordt bevaren, en nog hun eigendom is, de merkwaardigste, omdat zij zich nog zoo goed geconserveerd heeft gehandhaafd. Tusschen botters, tjalken, pramen en klippers ligt zij des Zondags in de door schepen fraai gestoffeerde en door huisjes en boomen omzoomde, schilderachtige Oude Buitenhaven te Kampen.

In het midden der 18de eeuw, aldus Mees, waren op Schokland maar drie kleine visscherschuitjes, daar de Schokkers toen meerendeels de vrachtvaart (kusten binnenvaart) uitoefenden <5>. De kleine Schokkerschuit noemt men bonse; de allerkleinste en lichtgebouwde is een plute, waarvan er nog één op Urk wordt aangetroffen. De "Schokker" (zoo noemt de visscherman het bedoelde vaartuig) kenmerkt zich door een oploopend voorschip met een rechten vallenden voorsteven, welke vierkant eindigt en een opening bevat, waarin zeer sierlijk het kruisvormig anker rust. De schuit voert het bezaanzeil, de breede stagfok en kluiverfok. Onder de roerstok, dwarsscheeps, is een plankje aangebracht, waarop "de Prins" geschilderd is. Zoo noemt men namelijk de prinsekleuren (oranje, wit en blauw) in driehoekvulling of in cirkelvormige meanderlijnen op dit plankje geverfd <6>. In het midden van de schuit is de bun en onder de voorplecht vindt men een roefje (het vooronder). Verder is dit vaartuig in de midscheeps open. De zwaarden zijn lang en smal.
De KP1, welke dus uit een scheepsbouwkundig oogpunt historische waarde bezit (zij is een der twee laatste Schokkerschuiten) werd uit dien hoofde door ons opgemeten. Zij heeft de volgende afmetingen: De lange as van roer tot eind voorsteven is lang 11.50 M.; dwarsscheeps bij den mast meet zij 3.60 M., en haar diepgang is 0.85 M. Aangename herinneringen hebben wij aan de KP1, want wij hadden het voorrecht onder het genot van een stevige bries met dit vaartuig en drie Schokkers van jongere generatie aan boord, terwijl wij de "fok te loevert" hadden, over de deinende Zuiderzee, door Keteldiep en IJsselmond, van Schokland naar Kampen te zeilen. Toen genoten wij van de door traditie en ervaring verkregen mooie kunst van zeilen.
Want de visschers weten hun vaartuigen te laten varen en wenden, zooals zij het noodig achten. Zij hebben hun schuit geheel "in de hand" en als ze, laveerende, "door den wind gaan", is het een genot te zien hoe juist en zeker iedere handgreep is en iedere beweging wordt verricht.
Dat zeiltochtje herinnerde ons onze zeiloefeningen in het onstuimige Marsdiep en die op het breede watervlak van Zuid Holland's stroomen. En waar is Holland eigenlijk mooier dan op en aan het water van zee en rivier?

Noten:
  1. 'k Heb.
  2. ga, gaan
  3. Heer Evert Zoudenbalch was een zeer aanzienlijk en gefortuneerd man, wiens familie al onder het Utrechtse patriciaat der 13e eeuw voorkomt. Hij liet een zeer ruime vorstelijke woning bouwen aan de Donkerstraat te Utrecht, waar dit paleis, "Huis Zoudenbalch", thans in minder aanzienlijken staat verkeerende, nog de aandacht trekt. Zie de belangrijke en rijk geïllustreerde studie "Oude Huizen te Utrecht", van Mr. S. Muller Fzn., in het Bouwkundig Tijdschrift, deel XX, deel 46 der bouwk. bijdragen, 3e stuk, 's Hage Mouton en Co., 1902.
  4. Nederl. Nat. Kleederdrachten, Meulenhoff, Amsterdam.
  5. G. Mees Azn., in de Overijsselsche almanak van 1847.
  6. Zou dit nog aan den tijd der Watergeuzen herinneren? Op de oorlogsschepen heet de kleine vlag vooruit (op de fok) de geus.

Bron: A.J. Reijers, Kampen, "Buiten", 9-10-1926. Ook gepubliceerd in het Schokker Erf 31, januari 1996.